BEN JIJ EEN FARIZEEËR
religie | 10 September 2011 | 22:02:53

 

 
Ben je een farizeeër?
 
Deze vraag had je misschien niet verwacht. En misschien denk je wel direct: ‘Nee, dat ben ik niet. Dat is die en die.’ Als je dat denkt, dan ben ik bang dat je het wel bent, want een oprecht kind van God denkt bij deze vraag: ‘Ben ik het, Heere?’ (Mat. 26:22). Maar hoe het ook zij en wie je ook bent, het is verstandig dat je verder leest. Het gaat namelijk om zaken van levensbelang. En wie zou dan niet verder lezen?
 
Weet wel: voordat je gaat lezen: het kan wel eens hard aan komen. Het is mogelijk dat het je diep ontdekt wordt. Het is namelijk een zeer scherp woord. De bijl (Bijbel) wordt aan de wortel gelegd (Mat. 3:10) Je kunt dit foldertje zonder veel moeite wegleggen, maar weet wel dat je ten diepste Gods Woord opzij legt. Kijk maar eens goed: je ziet dat er veel bijbeltekstverwijzingen bij staan.
 
Ik weet niet of je de Bijbel goed kent, maar als je de vier Evangeliën doorleest, valt één ding duidelijk op. De Zoon van God was regelmatig in gesprek met de Farizeeërs en Schriftgeleerden. Nog opvallender is dat Hij ze onomwonden vertelde dat ze huichelaars zijn (Mat. 16:5-12, 23, Luk. 11:39-54). Hij spaarde ze niet (Mat. 15:4). Hij zei hun in het openbaar het oordeel aan. Dat is nogal wat.
 
Voor de ergste zondaren had Christus altijd een woord en Hij hield de deur voor hen open. Maar het eerste wat we in de Bijbel lezen over de Farizeeën is dat ze worden aangesproken als adderengebroedsels (duivelskinderen). We zullen daarom eens met de Bijbel ernaast (want daar moet u alles aan toetsen) kijken wat een farizeeër is.
 
Een farizeeër:
 
- brengt geen vruchten van bekering voort (Mat. 3:8)
- is thuis in de Bijbel (Mat. 2: 4-6, Luk. 10:27, Joh. 8:5)
- beroept zich op de ‘ouden’ (wij zouden zeggen: op oudvaders) (Mat. 3:9, 15:2, Mark. 7:3c)
- houdt van discussiëren en twisten (Mat. 5:29, Mat. 12: 19a, Mark. 8:11, 9:14,16, Luk. 11:53,54, Luk. 17:20, Luk. 20:23, Joh. 8:6)
- houdt zich sterk bezig met inzettingen, tradities en geboden van mensen (Mat. 15:9)
- nadert tot God met de lippen, maar houdt zijn hart verre van God (Mat. 15:8, Mark. 3:5, Luk. 7:30, 16:16)
- ergert zich aan de boodschap van Christus (Mat. 15:12, 21:45,46, Luk. 16:14, Joh. 6:41)
- heeft een hard hart (Mark. 3:5)
- is blind en leid daardoor andere in een gracht (Mat. 15:14, 23:13)
- heeft een hekel aan Jezus Christus (Mat. 16:21, 20:18, 21:33-46, 26:4, 27:41)
- maakt dienstknechten van God monddood (Mat. 21:35, 23:37)
- begeert een teken of bijzondere openbaring van God (Mat. 12:38, 16:1,4, Mark. 8:11)
- denkt dat hij beter is dan een ander (Mat. 9:14, Luk. 15:30, 18:11, 19:38, Joh. 7:49)
- let veel op een ander om te kijken of hij/zij iets fout doet (Mat. 9: 11, 12: 2, 15:2, 21:15,16)
- maakt zich meer druk over een ander dan over zichzelf (Mat. 12:2, 15:2)
- houdt zich meer bezig met de wet dan met het Evangelie (de vergeving van zonde) (Mat 12: 9-21, Joh. 9)
- maakt het werk van God verdacht (Mat. 12: 24, 21: 15,16)
- heeft een hekel aan een vrijmoedig getuigenis van een volgeling van Jezus (Joh. 9:28, 12:42, Hand. 6:12, 7:54, 9:1)
- stelt veel vragen vanuit het ongeloof (Mat. 15: 2, 19:3, 7, 22:15, Mark. 2:24, 11:28, Luk. 10:25, 17:20)
- vindt het verdacht als iemands zonden vergeven worden (Mat. 9: 3,4, Mark. 2:7)
- weet het beter dan God (Mat. 9:3, 26:65, Mark. 2:7, Mark. 2:30, Luk. 7:49, Joh. 7:15, 8:13, Joh. 10:33)
- denkt verkeerd over anderen en hoog van zichzelf (Mat. 9:4, Luk, 15:2, 16:15b)
- denkt dat het Evang. is voor mensen met een bepaalde kwalificatie en niet voor zondaren en tollenaren (Mat. 9:11, Mark. 2:16, Luk. 15:2)
- kijkt neer op andere mensen (Mark. 7:5, Luk. 15:2, 30, Luk. 7:47-49, Joh. 9:34)
- is ernstig, ijverig en godsdienstig, maar om van mensen gezien te worden of om daarmee God te behagen (Mat. 23, Luk. 18:11-14)
- is streng en hard voor anderen, maar gemakkelijk en toegeeflijk voor zichzelf (Mat. 23:3,4, Luk. 11:46)
- bedenkt honderden geboden en verboden die hij andere oplegt (Mat. 23:4, Mark. 2:23,24, Mark. 7:4,5, Luk. 18:12)
- maakt Gods Woord krachteloos door allerlei eigen bedachte inzettingen (Mark. 7:13)
- doet tradities en draagt bepaalde kleding om van de mensen gezien te worden (Mat. 23:5, Mark. 12:38)
- bemint een ereplaats in de kerk en zit graag in het voorgestoelte (Mat. 23:6, Mark. 12:39, Luk. 18:11)
- hoort graag van de mensen dat hij degelijk en godsdienstig is (Mat. 23:7)
- staat anderen in de weg om in te gaan in het Koninkrijk der hemelen (Mat. 23:14)
- bidt lang en uitvoerig, zodat andere mensen gaan denken dat ze heel vroom zijn (Mat 23:14)
- is overdreven precies in kleine dingen, maar laat het grootste, waar het op aankomt, na (Mat. 23:24, Luk. 11:42)
- maakt zich drukker om de buitenkant dan de binnenkant (Mat. 23:25)
- ziet er van de buitenkant keurig uit, maar is van binnen vol geveinsdheid (Mat. 23:27,28)
- heeft een leer, maar geen relatie (Mat. 16:12c)
- vereert bepaalde dienstknechten van God (Mat. 23:33, Luk. 11:47)
- wilt niet tot Christus komen (Mat. 23:37)
- doet of zegt dingen tegen beter weten in (Mat. 27:63, Mark. 11:33a, Luk. 14:6, Luk. 20:21, Hand. 6:13)
- is bang dat velen tot geloof in Christus komen (Mat. 11. 18, Luk. 19:48, Joh. 7:31,32, 11:48, 12:19)
- rechtvaardigt zichzelf (Luk. 10:29, 16:15, 18:14, Joh. 9:40,41)
- legt het Woord van God op zijn eigen manier uit (Luk. 11:52a, 16:16, Joh. 3:9)
- meent door de wet zalig te worden en heeft de bekering niet nodig (Luk. 15:7c, 18:11,12, Joh. 7:49)
- beoordeelt andermans bekering (Joh. 9:15,17,26)
- wederstaat de Heilige Geest (Hand. 7:51)
 
Ik ga de vraag herhalen die boven aan deze folder staat. Ben je een farizeeër? Als je zegt dat dat voor je nog niet duidelijk is dan moet je jezelf maar afvragen wat je dan wel bent. Er zijn namelijk maar twee mogelijkheden. Of je bent een kind van God of je bent een huichelaar. Gods Woord is heel confronterend over Farizeeërs:…deze zullen een zwaarder oordeel ontvangen (Luk. 20:47) want gij sluit het koninkrijk der hemelen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen die ingaan zouden, laat ingaan (Mat. 23:13).
 
‘Ja, maar’, zegt je ‘is het dan helemaal verloren voor een farizeeër zoals ik?’
Als je dat oprecht zegt, dan ben je een bekeerde farizeeër en dan is er, door Gods grote genade, nog plaats voor een huichelaar zoals jij. Paulus, misschien wel de vroomste farizeeër aller tijden, schreef: ‘Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld, degenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwige leven (1 Tim. 1: 14-16). De farizeeër Nicodemus kreeg van Christus te horen: Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft is alreeds veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de Naam des eniggeboren Zoons van God (Joh. 3:18).
 
Zo gij zijn stem dan heden hoort; verhardt u niet maar laat u met God verzoenen!
 
 
 

Wil je mijn visitekaartje?
ZIE ... Ik kom spoedig
| 25 Augustus 2010 | 11:44:32


 
 Hij komt te midden van de wolken, en dan zal iedereen hem zien, ook degenen die hem doorstoken hebben. Alle volken op aarde zullen over hem weeklagen. Ja, amen.
 ‘Ik ben de alfa en de omega,’ zegt God, de Heer, ‘ik ben het die is, die was en die komt, de Almachtige.’
Openbaring 1: 7 - 8
 
Hij die van deze dingen getuigt, zegt: ‘Ja, ik kom spoedig!’
Amen. Kom, Heer Jezus!
21 De genade van onze Heer Jezus zij met u allen.
Openbaring 22: 20,21
 
 
reacties 2 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 152

de zeven bazuinen/schalen van de gramschap Gods uit op de aarde.
| 10 Juli 2009 | 12:16:50
Gaat heen en giet de zeven bazuinen/schalen van de gramschap Gods uit op de aarde.  

En ik hoorde een luide stem uit de tempel zeggen tot de zeven engelen: Gaat heen en giet de zeven bazuinen/schalen van de gramschap Gods uit op de aarde.

 
En de eerste blies de bazuin, en er kwam hagel en vuur, vermengd met bloed, en het werd op de aarde geworpen; en het derde deel van de aarde verbrandde en het derde deel van de bomen verbrandde en al het groene gras verbrandde.
 
 
2 En de eerste ging heen en goot zijn schaal uit op de aarde, en er kwam een boos en kwaadaardig gezwel aan de mensen, die het merkteken van het beest hadden en die zijn beeld aanbaden.
 
En de tweede engel blies de bazuin, en er werd iets als een grote berg, brandend van vuur, in de zee geworpen, en het derde deel van de zee werd bloed,
 9 en het derde deel van de schepselen in de zee, die leven hadden, stierf, en het derde deel van de schepen verging.
 
3 En de tweede goot zijn schaal uit in de zee, en zij werd bloed als van een dode, en alle levende wezens, die in de zee waren, stierven
 
En de derde engel blies de bazuin, en er viel een grote ster, brandend als een fakkel, uit de hemel, en zij viel op het derde deel der rivieren en op de bronnen der wateren.
 
 11 En de naam der ster wordt genoemd Alsem. En het derde deel der wateren werd alsem en vele van de mensen stierven van het water, omdat het bitter geworden was.
 
4 En de derde goot zijn schaal uit in de rivieren en in de waterbronnen, en (het water) werd bloed.  
 
5 En ik hoorde de engel der wateren zeggen: Rechtvaardig zijt Gij, die zijt en die waart, Gij Heilige, dat Gij dit oordeel hebt geveld.
 
 
6 Omdat zij het bloed der heiligen en der profeten vergoten hebben, hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven; zij hebben het verdiend!
 
7 En ik hoorde het altaar zeggen: Ja, Here God, Almachtige, uw oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig.
 
En de vierde engel blies de bazuin, en het derde deel van de zon werd getroffen en het derde deel van de maan en het derde deel van de sterren, zodat het derde deel daarvan verduisterd werd, en de dag voor het derde deel geen licht had en de nacht desgelijks.
 
13 En ik zag en hoorde een arend vliegen in het midden des hemels, die met luider stem zeide: Wee, wee, wee hun, die op de aarde wonen, vanwege de overige stemmen van de bazuin der drie engelen, die nog bazuinen zullen!
 
8 En de vierde goot zijn schaal uit over de zon en haar werd gegeven de mensen te verzengen met vuur.
 
9 En de mensen werden verzengd door de grote hitte en zij lasterden de naam van God, die de macht heeft over deze plagen, en zij bekeerden zich niet om Hem eer te geven.
 
En de vijfde engel blies de bazuin, en ik zag een ster, uit de hemel op de aarde gevallen, en haar werd de sleutel van de put des afgronds gegeven.
 
 2 En zij opende de put des afgronds en er steeg rook op uit de put, als de rook van een grote oven; en de zon en het zwerk werden verduisterd door de rook van de put.
 
3 En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde te voorschijn en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben.
 
4 En hun werd gezegd, dat zij aan het gras der aarde geen schade zouden toebrengen, noch aan enig gewas, noch aan enige boom, maar alleen aan de mensen, die het zegel van God niet op hun voorhoofden hadden.
 
5 En hun werd gegeven, dat zij hen niet zouden doden, maar dat de mensen zouden gepijnigd worden, vijf maanden lang; en hun pijniging was als de pijniging door een schorpioen, wanneer hij een mens steekt.
 
6 En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken, maar hem geenszins vinden, en zij zullen begeren te sterven, maar de dood vlucht van hen weg.
 
7 En de gedaante der sprinkhanen was als van paarden, die uitgerust zijn tot de oorlog; en op hun koppen waren kransen als van goud en hun aangezichten waren als aangezichten van mensen;
 
8 en zij hadden haar als vrouwenhaar en hun tanden waren als die van leeuwen;
 
9 en zij hadden borstschilden als ijzeren harnassen en het gedruis van hun vleugels was als het gedruis van wagens, wanneer vele paarden ten strijde draven.
 
10 En zij hadden staarten als schorpioenen en angels, en in hun staarten was hun macht om de mensen schade toe te brengen, vijf maanden lang.
 
11 Zij hadden over zich als koning de engel des afgronds; zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon en in het Grieks heeft hij tot naam Apollyon.
 
12 Het eerste wee is voorbijgegaan: zie, nog twee weeën komen hierna.
 
 
10 En de vijfde goot zijn schaal uit over de troon van het beest, en zijn rijk werd verduisterd, en zij kauwden op hun tong van pijn,
 
11 en zij lasterden de God des hemels vanwege hun pijnen en vanwege hun gezwellen, en zij bekeerden zich niet van hun werken.
 
En de zesde engel blies de bazuin, en ik hoorde een stem uit de vier horens van het gouden altaar, dat voor God staat,
 
14 zeggende tot de zesde engel, die de bazuin had: Laat de vier engelen los, die bij de grote rivier, de Eufraat, gebonden zijn.
 
15 En de vier engelen, die tegen het uur en de dag en de maand en het jaar waren gereed gehouden, werden losgelaten om het derde deel van de mensen te doden.
 
16 En het getal der legerscharen van de ruiterij was tweemaal tienduizend tienduizendtallen; ik hoorde hun aantal.
 
17 En aldus zag ik in dit gezicht de paarden en hen, die erop gezeten waren: zij hadden rossige en blauwe en zwavelkleurige harnassen, en de koppen der paarden waren als leeuwenkoppen, en uit hun bek kwam vuur en rook en zwavel.
 
18 Door deze drie plagen werd het derde deel van de mensen gedood: door het vuur en de rook en de zwavel, die uit hun bek kwamen.
 
19 Want de macht der paarden ligt in hun bek en in hun staarten. Want hun staarten zijn als slangen, met koppen, en daarmede brengen zij schade toe.
 
20 En wie van de mensen overgebleven waren, die niet gedood waren door deze plagen, bekeerden zich toch niet van de werken hunner handen, om de boze geesten niet (meer) te aanbidden en de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgoden, die niet kunnen zien, noch horen of gaan;
 
21 en zij bekeerden zich niet van hun moorden, noch van hun toverijen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen.
 
12 En de zesde goot zijn schaal uit op de grote rivier, de Eufraat, en zijn water droogde op, zodat de weg bereid werd voor de koningen, die van de opgang der zon komen.
 
13 En ik zag uit de bek van de draak en uit de bek van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten komen, als kikvorsen;
 
14 want het zijn geesten van duivelen, die tekenen doen, welke uitgaan naar de koningen der gehele wereld, om hen te verzamelen tot de oorlog op de grote dag van de almachtige God.
 
15 Zie, Ik kom als een dief. Zalig hij, die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele en zijn schaamte niet gezien worde.
 
16 En hij verzamelde hen op de plaats, die in het Hebreeuws genoemd wordt Harmagedon.
 
En de zevende engel blies de bazuin en luide stemmen klonken in de hemel, zeggende:
Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden.
 
16 En de vierentwintig oudsten, die voor God op hun tronen gezeten waren, wierpen zich op hun aangezicht en aanbaden God,
 
17 zeggende:
Wij danken U, Here God, Almachtige, die is en die was, dat Gij uw grote macht hebt opgenomen en het koningschap hebt aanvaard;
 
18 en de volkeren waren toornig geworden, maar uw toorn is gekomen en de tijd voor de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw knechten, profeten, en aan de heiligen en aan hen, die uw naam vrezen, aan de kleinen en de groten en om te verderven wie de aarde verderven.
 
19 En de tempel Gods, die in de hemel is, ging open en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel, en er kwamen bliksemstralen en stemmen en donderslagen en aardbeving en zware hagel.
 
En de zevende goot zijn schaal uit in de lucht en er kwam een luide stem uit de tempel, van de troon, zeggende: Het is geschied.
 
18 En er kwamen bliksemstralen en stemmen en donderslagen, en er geschiedde een grote aardbeving, zo groot als er geen geweest is, sedert een mens op de aarde was: zó hevig was deze aardbeving, zó groot.
 
19 En de grote stad viel in drie stukken uiteen en de steden der volken stortten in. En het grote Babylon werd voor God in gedachtenis gebracht, om daaraan de beker met de wijn van de gramschap zijns toorns te geven.
 
20 En alle eilanden vluchtten weg en bergen werden niet (meer) gevonden. 21 En grote hagel(stenen), een talent zwaar, vielen uit de hemel op de mensen, en de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel, want de plaag daarvan was zeer groot.
 
En ik zag het beest en de koningen der aarde en hun legerscharen verzameld om de oorlog te voeren tegen Hem, die op het paard zat, en tegen zijn leger.
 
20 En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet, die de tekenen voor zijn ogen gedaan had, waardoor hij hen verleidde, die het merkteken van het beest ontvangen hadden en die zijn beeld aanbaden; levend werden zij beiden geworpen in de poel des vuurs, die van zwavel brandt.
 
 21 En de overigen werden gedood met het zwaard, dat kwam uit de mond van Hem, die op het paard zat; en al de vogels werden verzadigd van hun vlees.
En ik zag een engel nederdalen uit de hemel met de sleutel des afgronds en een grote keten in zijn hun vlees.
 
Bron: de Bijbel
reacties 5 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 396

Home Ontwikkeld door punt.nl gehost door mijndomein.nl| sinds: 2009-07-10